Marius Boender

Beeldend Kunstenaar / Middelburg, 1948

Hij studeerde fotografie aan de Academie St. Joost in Breda, 
maakte in het begin vooral landschapsfoto’s en werkte voor tijdschriften
als freelance redacteur / fotograaf. Hij zag zich na zijn afstuderen niet als kunstenaar. 

In die tijd was er discussie of fotografie kunst kon zijn. 
Maar al snel kwam er voor zijn fotowerken belangstelling van bevriende beeldend kunstenaars
zoals Moniek Toebosch, Teun Hocks, Kees Mol, Pieter Mol en Harry de Kroon. 

Blijkbaar was het meer dan alleen fotografie. 

Een bijzondere foto uit zijn oeuvre is die van fragiele sporen op een bestofte glasplaat.
Er is een vlinder neergestreken, heeft met zijn vleugeltoppen drie keer de grond geraakt
en is door de snelheid een beetje uitgegleden...
Zijn vleugels hebben opnieuw de grond geraakt en hij is verder gelopen.
Een koerscorrectie, en is weer weggevlogen. 

De aanwezigheid van de afwezigheid. 

Een verwant werk is de performance/film waarin je Marius
boven fijn zand eenmaal ziet uit ademen. 

De adem maakt een afdruk in het fijne zand dat
een beetje opdwarrelt en de condens uit zijn adem vangt.
Vervolgens verdampt de condens waardoor
het opgedwarrelde zand weer droogt en terug valt. 

Wat over blijft is een fragiel fossiel van één ademtocht. 

Wat hij hier in heel minimale zin laat zien is in feite een monumentale gedachte 
over het vangen van de tijd, die niet voorbijgaat,
maar die in zichzelf opgaat.

Dat zie je dus ook terug in zijn grotere landschappelijke werken. 
De cirkelende spiraalvorm, linksom en rechtsom draaiend, een patroon vormend
van elkaar kruisen paden en op die kruispunten terrassen, sawa’s bijna,
veroorzakend, vruchtbare gebieden voor ervaringen die samenkomen. 

De Wachter is daar de meest concreet ervaarbare uitvoering van.
Een 24 meter boven het maaiveld verheffende, met gras begroeide aarden,
heuvelconstructie op de winterdijk (de slaper) uitkijkend over de uiterwaarden,
de zomerdijk (de waker) en het water van het Hollands Diep.
Een aan de natuur teruggegeven gebied, en aan de andere kant kijkt men uit, 
op het gecultiveerde akkerland van de polder.

  • gallery-image
  • gallery-image

Het werk refereert aan grafheuvels en aan markatiepunten. 
Tegelijkertijd is De Wachter een plek voor de wandelaar en de fietser om even te rusten,
er is altijd een luwe plek rond die heuvel, zodat je lekker uit de wind kunt zitten
om je brood te eten en wat te drinken. 

Marius Boender verbindt het mythische, het magisch en raadselachtige (de verwondering)
met het aardse, het landschappelijke en atmosferische (de beleving) en met het alledaagse,
het recreatieve en het menselijke (de ervaring)

Marius etst zijn belevingen van het leven in de tijd. 

Hij doet dat grafisch, tekenend met de hand, om een afdruk van zijn denken navoelbaar te maken. 

Het werk moet op de tast worden beleefd.

Hij is de beheerder van een intrigerend eigen domein, 
een aaneenschakeling van witgekalkte zelfgebouwde ruimtes, midden in Breda,
op zo’n duizend meter grond, met daarbij ook nog een grote zelfgebouwde werkplaats
die aandoet alsof het een klassiek en traditioneel industrieel ontwerp is. 

Maar hij heeft het in de loop der jaren op een heel natuurlijke wijze zelf laten ontstaan. 

Alles ziet er overzichtelijk en opgeruimd uit,
maar overal zijn opbergplaatsen die de meest uiteenlopende materialen bevatten,
van woestijnzand, tot slakkenhuizen, van een immense uit zee gehaalde
prehistorische rotssteen, een Moreen, tot kleine kiezels en op kiezels gelijkende voorwerpen, 
die hij in het grindpad van zijn vader heeft ontdekt. 

Alles bij elkaar toch weer een chaotisch ensemble, 
waarvan de samenhang door Boender wordt bepaald.

  • gallery-image
  • gallery-image
  • gallery-image
  • gallery-image
  • gallery-image

Die plek ziet eruit alsof je in een nomadisch kampement bent beland, 
volkomen vreemd temidden van de stadse omgeving en er ook volkomen aan ontkomen.
Hij is gefascineerd door het toekomstvoorspelling in de cultuur van de Dogon in Mali,
waar hij verschillende werken aan heeft gewijd, nadat hij er een maand te gast was geweest
en door een wonderlijk toeval in de symbolentaal van deze cultuur werd ingewijd. 

Zijn werk is romantisch en ongrijpbaar en tegelijkertijd vertelt hij er heel gewoon over,
verbaasd over zijn eigen verwondering.

Op alles wat hij waarneemt kan hij zijn eigen beeldende kijk loslaten.
Hij is woordblind en naar eigen zeggen eigenlijk ook beeldblind,
dat wil zeggen dat hij in zijn hoofd niet visueel registreert wat hij ondergaat,
maar vooral de concepten vastlegt van wat hij waarneemt. 

Maar,
 
"Hij leest het water"

 

Zijn werk is gericht op het leggen van relaties of eerder nog
op het maken van contact, tussen mensen en tussen wat was en wat komt.

Er is in zijn werk geen sprake van opeenvolging van werken,
maar van uitwisseling tussen werken. Het is lichtvoetig en humoristisch, serieus en grondig.
In die combinatie is zijn werk geheimzinnig en ondoorgrondelijk.

Maar omdat het werk ook een vindplaats is, kun je er altijd in terecht.
Je weet nooit wat je te wachten staat en wat je vindt. Het ligt ongrijpbaar voor je.

Als een magneet die stof aantrekt waaruit vanzelf een vorm ontstaat ​
en daarmee een idee, een gedachte, een voornemen, een levend beeld

.     .     .

Alex de Vries

1 februari 2006